Chess 960

Voorzitter Clubkampioen Chess 960

(1-6-2026)

 

Was het te broeierig? Heeft Chess-960 toch te weinig met “echt schaken” te maken? Was het iets anders? In elk geval waren er maar 12 deelnemers. Maar die vochten wel voor elke meter, wat eigenlijk bij schaken nergens op slaat. Ze vochten voor elk veld, elk stuk; zoiets zou beter passen.

Geen enkele remise werd er genoteerd. Dat kwam natuurlijk door de a-typische beginstellingen. Deze keer leek het erop dat elke partij begon met een dame die op a1 of h1 stond. Hoe Dies Lokerse (onze Chess 960 operator) dit voor elkaar kreeg? Ik weet het niet. Met zo’n dame komt de vraag op: hoe krijg ik haar in het spel? Kun je nog ergens een veilig plekje voor je koning vinden, want om die dame in het spel te krijgen was een verzwakking van de koningsstelling nodig?

Dat bleek vaak allemaal moeilijk. In combinatie met het tempo (15 minuten knock out) leidde dat tot bijzondere, complexe, foutgevoelige stellingen. Toch had één partij wel in remise moeten eindigen. Tijdens de partij riep Sander de Bruijn al dat deze pot, qua stelling, wel op een echte schaakpartij leek. En dat klopte, een toreneindspel met voor zowel Sander als tegenstander Marko Burger evenveel pionnen. En eigenlijk ook geen winstkansen, tenzij er iemand, geheel ten onrechte, op winst zou gaan spelen. Dat deed Sander en hij kreeg het deksel op de neus.

Er werden 5 rondes gespeeld en met geen enkele remise was de eindstand niet onlogisch: één speler won alles, eentje verloor alles, eentje verloor er maar één en dan was er ook nog een speler die maar één partij won. Vier spelers met drie punten en vier met twee.

Rekening houdend met weerstandspunten was dit de eindstand:

  1. Peter van der Borgt: 5
  2. Joah Mulder: 4
  3. Corné Harmsen: 3
  4. Marko Burger: 3
  5. Sander de Bruijn: 3
  6. Martjan Romijn: 3
  7. Bram Boone: 2
  8. Krijn Saman: 2
  9. Herman Schoonakker: 2
  10. Julian Duynkerke: 2
  11. Dingnis Lokerse: 1
  12. Dies Lokerse: 0

Over de partijen zelf (op die van Sander en Marko na) kan ik weinig vertellen. Meestal was ik als laatste klaar. Dat duidt er al op dat mijn overwinningen niet makkelijk tot stand kwamen. Zeker niet. Soms was er gewoon geluk nodig.

In de eerste ronde kwam ik door best aardig spel een stuk voor tegen Herman Schoonakker. Niks aan de hand tot ik pardoes een stuk wegblunderde. Het stond toen niet alleen materieel gelijk, maar mijn koning had geen veilige plek meer omdat ik al mijn pionnen naar voren gehad gespeeld (wat dat stuk voorsprong opleverde). In een stelling waarvan ik geen enkel idee had wie er beter stond viel Hermans vlag.

Tegen Bram Boone blunderde ik een kwaliteit om vervolgens in een simpel valletje te trappen, waardoor ik een vol stuk (een paard) achter kwam. Ik had wel wat compensatie door een vrijpion, een iets handiger pionnenstructuur, een toren en paard van Bram die niet zo actief waren en een open b-lijn die ik mogelijk voor mijn enige overgebleven stuk (toren) kon benutten. Dat laatste lukte en doordat ik ook de paardvorken wist te vermijden moest Bram wel opgeven. Ongetwijfeld heeft Bram ergens betere zetten gemist.

De volgende twee partijen waren min of meer wel terechte overwinningen. Corné Harmsen kon niet al mijn penningen ongedaan maken en ook schwindelzetten hielpen niet meer. De verrassing van het toernooi, onze jeugdclubkampioen Joah Mulder, dacht beter te staan (of dat zo was waag ik te betwijfelen), maar een paar handige zetten leverden mij een penning op van een paard dat niet meer te redden was.

De laatste partij was tegen Marko Burger. Door een onachtzaamheid van Marko kon ik een kwaliteit en een pion winnen, maar de achterstand in ontwikkeling en de rotpositie van mijn koning gaven Marko prima tegenkansen. Mijn stukken wist ik nog wel te ontwikkelen, maar mijn koning kreeg ik niet veilig. Marko was iets te gretig en offerde een dame voor een (net niet) mat. En in dat “net niet” zat het hem: loper slaat op f3 met schaak was geen mat vanwege toren van g1 naar g2.

Kortom: de winst was voor ondergetekende, maar het zo maar niet zo kunnen zijn.

 

Peter van der Borgt